vrijdag 29 november 2013

Karel van de Woestijne : De boer die sterft (1918)




En zie, daar werd hij plotseling heel rustig. Hij had zijn ogen niet open gedaan. De kamer lag heel zindelijk in zoete avondklaarte. Hij zag alles heel goed op zijn plaats staan: het kaske met de Onze Lieve Vrouw; zijn oude klakke aan den biezen stoel. En hij zag nog wel wat anders : hij zag Wanne, zijn oude Wanne, compassielijk naast zijn bed staan…..

Maar het was Wanne niet : het was zijn ontwakende Ziel… Maar het was Wanne toch….

En hij zag dat Wanne hem vredig tegenlachte. Stuk voor stuk deed zij traag haar kleren uit, die ze proper opplooide en lei op den stoel, bij zijne klakke. Zij ging ook te bedde komen, zag hij. En nu had hij de zekerheid dat zij voortaan altijd bij hem zou wezen…Hij zag dat ze zich op haar knieën zette, voor haar gebed. Hij deed zijn ogen toe. In zijn hoofd bad hij mee : “Onze Vader die in den Hemelen zijt….”

En toen hij gedaan had wachtte hij een beetje. Hij wachtte tot Wanne iets zeggen wou. Maar ze zei niets. Toen wilde hijzelf iets zeggen. Wat zou hij zeggen, dat...? Hij wachtte nóg een beetje. Maar toen begon hij olijk te glimlachen. Hij wist nu wat hij zeggen moest. Hij wist; o, hij wist...

En hij deed zijn mond open, zijn zwarte mond. Maar hij zei niets.
Want hij was dood.







Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen